Posts tonen met het label mijn collectie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label mijn collectie. Alle posts tonen

donderdag 16 mei 2013

cd Charles Bradley - Victim Of Love

Charles Bradley - Victim Of Love


Bron± Krenten uit de Pop 1 April 2013

Charles Bradley was 64 toen hij bijna twee jaar geleden debuteerde met het geweldige No Time For Dreaming. De Amerikaan wist al dat hij soulzanger wilde worden toen hij James Brown in 1962 aan het werk zag tijdens zijn fameuze Apollo concert, maar het duurde vervolgens even voordat zijn eigen carrière van de grond kwam. Toen dit eindelijk gebeurde was er ook geen houden meer aan. De afgelopen twee jaar is Charles Bradley door vriend en vijand geprezen en zijn er eindelijk eens wat lichtpuntjes in zijn leven waarin een bijna onwaarschijnlijke hoeveelheid ellende is voorbij gekomen. Bradley’s tweede plaat, Victim Of Love, ligt voor een belangrijk deel in het verlengde van No Time For Dreaming en laat soulmuziek horen die zo lijkt weggelopen uit de jaren 60 en 70. Nu zijn er heel veel soulplaten die teruggrijpen op het legendarische soulgeluid van weleer (hier en daar aangevuld met funk en psychedelica), maar Charles Bradley doet op Victim Of Love veel meer dan dat. Als Victim Of Love in de jaren 60 of 70 was verschenen was het al lang een klassieker geweest, zo goed is deze plaat. Net als op zijn debuut laat Charles Bradley op Victim Of Love horen dat hij een geweldig zanger is. Zijn rauwe strot heeft wel wat van zijn grote held James Brown, maar persoonlijk vind ik Bradley een betere zanger dan James Brown. Wanneer je Victim Of Love vergelijkt met No Time For Dreaming hoor je dat Charles Bradley veel beter is gaan zingen. Op Victim of Love doseert Charles Bradley beter, waardoor de plaat over meer dynamiek beschikt dan zijn voorganger. Dit komt overigens ook door de prachtige en veelkleurige instrumentatie op de plaat en de authentiek klinkende productie. Net als op zijn debuut gooit Charles Bradley ook op Victim Of Love weer zijn hele ziel en zaligheid in zijn muziek en komt de ruwe emotie met grote regelmaat voorbij drijven. Charles Bradley klinkt op Victim Of Love puur en oprecht en gezien zijn zware leven geloof je ieder woord dat hij zingt. Ik was twee jaar geleden al behoorlijk onder de indruk van het debuut van Charles Bradley, maar Victim Of Love is nog veel en veel beter. Het stapeltje soulklassiekers in de kast krijgt opeens gezelschap van een plaat die minstens even goed is, maar gezien de productionele mogelijkheden en opnametechnieken van tegenwoordig een stuk beter klinkt. Over het debuut van Charles Bradley is overigens een prachtige en aangrijpende documentaire gemaakt; Charles Bradley: Soul of America (op 9 april te zien bij Het Uur van de Wolf). Net zo onmisbaar als het debuut zelf, al staan beiden in de schaduw voor het in alle opzichten geweldige Victim Of Love. Erwin Zijleman

 
 

dinsdag 23 april 2013

cd Steve Earle & The Dukes (& Duchesses) - The Low Highway

Steve Earle & The Dukes (& Duchesses) - The Low Highway
Bron: Krenten uit de Pop Maandag 22 April 2013
Steve Earle debuteerde in 1986 met het geweldige Guitar Town en draait dus inmiddels al meer dan 25 jaar mee. Er zijn niet veel muzikanten die in een carrière van meer dan 25 jaar niet één slechte plaat afleveren, maar Steve Earle heb ik tot dusver nog niet op een slechte plaat kunnen betrappen. Kijk bij Allmusic.com naar het imposante oeuvre van de Amerikaan en je ziet vrijwel uitsluitend bovengemiddelde scores. De wat lagere score voor het in Nederland wel zeer gewaardeerde Jerusalem (met hierop het prachtige John Walker’s Blues) is waarschijnlijk vooral te verklaren door het feit dat de politieke plaat vlak na de aanslagen van 11 september niet werd begrepen in de VS. Ook The Low Highway is weer een plaat van het bijzonder hoge niveau dat we inmiddels van Steve Earle gewend zijn en dat mag zo langzamerhand best een prestatie van formaat worden genoemd. Earle liet zich in het verre verleden begeleiden door zijn band The Dukes, maar heeft er inmiddels ook nog wat gravinnen bij gevonden. Op de hoes van The Low Highway prijkt daarom naast de naam van Steve Earle zelf ook de naam van The Dukes (& Duchesses). Het is een hele gevarieerde, maar bijzonder consistente plaat geworden. Op The Low Highway maakt Steve Earle Americana in de breedste zin van het woord. Er is volop ruimte voor de lekkere stevige rootsy rocksongs waarop Steve Earle al sinds zijn debuut het patent heeft, maar The Low Highway biedt ook plaats aan een gevoelige countrysong of songs vol invloeden uit het diepe Zuiden van de Verenigde Staten. Earle draagt met zijn doorleefde strot, zijn vermogen om het leven in de VS haarscherp te portretteren en zijn prima gitaar- en mandolinespel nadrukkelijk bij aan de kwaliteit van The Low Highway, maar ook de rol van The Dukes (& Duchesses) mag niet onderschat worden. Chris Masterson voegt flink wat fantastisch gitaarspel toe en excelleert op de pedal steel, Will Rigby toont zich wederom een buitengewoon veelzijdig drummer, zeker in combinatie met bassist Kelly Looney en Eleanor Whitmore’s vioolspel snijdt zoals gewoonlijk door de ziel. Uiteraard laat ook echtgenote Allison Moorer van zich horen. Ze zorgt dit keer niet alleen voor prachtige vocalen maar speelt ook nog eens piano, orgel, harmonium en accordeon. In vocaal, muzikaal en tekstueel opzicht is het smullen geblazen, maar ook de kwaliteit van de songs zelf laat dit keer niets te wensen over. Earle maakte zoals gezegd nog nooit een slechte plaat, maar leverde nog niet vaak een plaat af met zo’n sterke selectie songs als op The Low Highway. The Low Highway is twaalf keer raak en wordt vooralsnog alleen maar beter. Ik ben inmiddels zo gewend aan de hoge kwaliteit van de platen van Steve Earle dat ik in eerste instantie nauwelijks opkeek van de plaat, maar Steve Earle verdient wat meer aandacht en respect. Platen als The Low Highway zijn binnen het oeuvre van Steve Earle misschien heel gewoon, maar in het hokje der Americana absoluut een zeldzaamheid. Erwin Zijleman


donderdag 14 maart 2013

cd Massive Attack - Mezzanine

 
 Massive Attack - Mezzanine
(1998)
 
 

Aandacht voor een "classic" album uit 1998. Mezzanine van Massive Attack. Het derde album van de groep uit Bristol is complete anders dan de twee voorgangers (Blue lines and Protection).

Het begint al met de hoes van 'Mezzanine' : een vervaarlijk uitziend insect met te gepunte ledematen om geen angst in te boezemen siert de cover van de derde plaat van Massive Attack. Meteen is dat ook een heel sterk beeld dat bij de muziek op dit album past. Waar het grote publiek op basis van voorgangers misschien dacht met een veredelde lounge act te maken te hebben, kreeg het op 'Mezzanine' er ferm van langs : de heren flirten met krautrock en metalgitaren om een indringende sound neer te zetten die daarvoor - we schrijven 1998 - en sindsdien ongehoord is.

De stijlbreuk bracht ook afscheid met zich mee. Tricky was niet langer te horen bij Massive Attack, net als de subtiele vrouwenstemmen van Tracey Thorn of Shara Nelson. Mushroom, een van de drie kernleden zag de nieuwe richting niet zitten. Reggae-icoon Horace Andy bleef wel, en hij stuwt op dit album het gitaargedreven 'Angel' en de mantra 'Man next door' naar ongekende hoogten. Aan boord gehesen werd Elizabeth Fraser van Cocteau Twins voor de klassieker 'Teardrop', een juweeltje van een song dat eigenlijk een buitenbeentje is op 'Mezzanine', dat door angst en zware dub-baslijnen gedomineerd wordt.

Vijftien jaar na de release blijft deze plaat van Massive Attack overeind staan als een huis. Wel de donkerste plaat van het ouvre van deze band maar een must have  De plaat is op zijn/haar best als het duister is en donker en somber weer. Je stopt de cd in de speler en het onheilspellende ritme van Angel komt naar boven. Ga op de bank liggen of neem plaats in een luie stoel en enkel het lichtje van cd speler brandt en met de koptelefoon flink luid genieten. Laat dat een tip zijn ...



  1. Angel (6:20)
  2. Risingson (4:58)
  3. Teardrop (5:30)
  4. Inertia Creeps (5:56)
  5. Exchange (4:11)
  6. Dissolved Girl (6:06)
  7. Man Next Door (5:56)
  8. Black Milk (6:21)
  9. Mezzanine (5:56)
  10. Group Four (8:12)
  11. (Exchange) (4:10)



woensdag 6 maart 2013

cd: Bon Iver - For Emma, forever ago

Bon Iver - For Emma, forever ago
(2008)




Bron: Kindamuzik 26 mei 2008

Het verhaal van de singer-songwriter die zich, met zijn verdriet en een gebroken ziel onder de arm, terugtrekt uit de waan van alledag om alle zielenroerselen op muziek te zetten, heeft inmiddels een lange baard. Het kleedt vaak de uit die periode voortgekomen plaat aan en verbloemt een beetje de zwakte van de songs.
Bon Iver, de alias van Justin Vernon, heeft hetzelfde soort verhaal: een combinatie van gebroken liefde, het uit elkaar gaan van zijn (redelijk onbekende) band DeYarmond Edison en een periode in een van de buitenwereld afgesloten huisje in de bergen inspireerden zijn - eerst in eigen beheer uitgebrachte - debuutalbum. Het enige verschil met de vergelijkbare verhalen is dat Bon Iver op het eerlijke document For Emma, Forever Ago zijn toehoorders raakt. Sterker nog: Vernon weet op voortreffelijke wijze zijn gevoel weer te geven. Daarbij begeleidt hij zichzelf, op een paar minuscule samples, drums en blazerpartijtjes na, uitest summier met een akoestische gitaar. Het resultaat is hoogst doeltreffend. Met een perfect gevoel voor rust, ruimte en timing en de in melancholie gedompelde stemming, trekt Vernon zichzelf naar grote hoogte. Muzikaal doet Bon Iver denken aan Iron & Wine, waarbij hij de treurige falset van Anthony benadert. Daarbij heeft hij hier en daar uitschieters naar de warme, soulvolle stem van Tunde Adebimpe, de voorman van TV on the Radio. Om het in te kleuren zingt Vernon, met wat moderne studiotechnieken gemaakte harmonieën, zijn pijn langzaam van zich af. Wat dat betreft heeft Bon Iver zo'n clichématig verhaal niet nodig; de emotie en muzikale spanning bezorgt de plaat genoeg aandacht. Al merk je door de impressionistische teksten heen, dat het verhaal van de tijdelijke, maar totale afzondering geen verkooppraatje is. For Emma, Forever Ago is een plaat gemaakt door een goudeerlijke en tevens verdrietige Justin Vernon. Bijvoorbeeld de tranentrekkende vertwijfeling in 'The Wolves (Act I and II)' - "What might have been lost" - is oprecht en daardoor fantastisch. Met dit soort gemeende emotie maakt Bon Iver veel indruk. For Emma, Forever Ago is daardoor simpelweg prachtig!

zondag 3 maart 2013

cd: Jeff Buckley - Grace

Jeff Buckley - Grace
(1994)


Bron: 8weekly

Het is een van die tragische verhalen van de popmuziek: in 1997 overlijdt Jeff Buckley, dertig jaar oud, met slechts één studioalbum op zijn naam, Grace. Het album liet een diepe indruk achter op de muziekwereld. Zijn vroege dood, maar ook zijn unieke gitaarspel en zanggeluid bezorgden de Amerikaan een cultstatus.Jeffrey Scott Buckley wordt in 1966 geboren in Anaheim, Californië. Hij wordt opgevoed door zijn moeder Mary Guilbert en stiefvader. Guilbert is een klassiek geschoolde pianiste en celliste, zijn vader is singer-songwriter Tim Buckley. Zijn vader kent hij alleen van een aantal sporadische ontmoetingen; hij overlijdt als Jeff negen is. Al op jonge leeftijd weet Jeff zeker dat hij muzikant wil worden. Nadat hij op zeventienjarige leeftijd het ouderlijk huis verlaat, wil hij deze droom gaan verwezenlijken.

Aan het begin van zijn carrière speelt Buckley in verschillende bands tot hij door Herb Cohen, de voormalige manager van zijn vader, wordt benaderd om een demo op te nemen. Kort daarna beleeft hij zijn eerste publieke optreden bij een concert ter ere van zijn vader in 1991. Met dit optreden weet hij de aandacht te trekken van verschillende platenmaatschappijen. In de daaropvolgende jaren treedt Buckley veel op in het clubcircuit van New York met een combinatie van covers en eigen nummers. Uiteindelijk weet Columbia Records de talentvolle artiest, die inmiddels door meerdere platenmaatschappijen wordt begeerd, te tekenen in 1992. Een jaar later komt met de EP Live at Sin-é het eerste wapenfeit van de jonge artiest in de schappen.

Werken aan het debuut

Samen met zijn begeleidingsband en de producer Andy Wallace - die twee jaar eerder Nirvana's Nevermind produceerde - brengt Buckley in 1994 zijn debuutalbum Grace uit. Hoewel het tien nummers tellende album door critici wordt bejubeld, blijft de verkoop in eerste instantie achter bij de positieve woorden van de pers en collega's. Centraal in de muziek staan de gitaarklanken en de zang van Buckley zelf. Het is een ander geluid in vergelijking met de muziek van de jaren ervoor.

Hij laat zien dat hij zijn eigen sound tot in perfectie heeft uitgewerkt en weet dat op de plaat goed over te brengen. Het gitaargeluid van de Amerikaan is complex: Buckley kiest lastige onverwachte akkoorden en stelt verrassende arrangementen samen. Zonder dat het geforceerd klinkt weet hij indrukwekkende gitaarpartijen te spelen. De souplesse waarmee hij dit doet is ongekend. Ook heeft Buckley - zeker voor de popmuziek - een indrukwekkend soepele stemband. Zonder dat het onzuiver wordt weet hij zeer beheerst in nummers van hoog naar laag te switchen.

Emotionele snik

Op Grace laat Buckley een variëteit aan stijlen horen; van een stevig rockgeluid tot ingetogen nummers. Hardere tracks als ‘Eternal Life' en 'Grace' liggen in het verlengde van de rockmuziek van jaren zeventig en tachtig van bands als Buckely's grote voorbeeld Led Zeppelin. Op nummers als 'So Real' en 'Lover, You Should've Come Over' drukt Buckley zijn eigen stempel het sterkst met cleane gitaarklanken en heen en weer dansende vocalen. Op het album staan drie covers. Het veel gecoverde 'Hallelujah' van Leonard Cohen is in de versie van Buckley nog krachtiger door de emotionele snik in zijn stem. Het klassieke 'Corpus Christi Carol' lijkt op het eerste gehoor misschien een vreemde eend in de bijt, maar zorgt - zeker na meerdere draaibeurten - voor een krachtig rustpunt op de cd. Ook 'Lilac Wine' is een cover.

Het muzikale hoogtepunt van het album is 'Last Goodbye'. Een nummer met een perfect samenspel en met misschien wel de beste opbouw in een nummer ooit geschreven. Binnen een minuut wordt op sublieme wijze toegewerkt naar de ontknoping in het nummer. Zowel de gitaarklanken als het stemgeluid van Buckley geven de muziek een unieke stempel mee. De keerzijde hiervan is wel dat de muziek voor een breed publiek - zeker op het eerste gehoor - moeilijk toegankelijk is. Waarschijnlijk is dit ook de reden waarom de verkoop niet van meet af aan glansrijk verliep. Het is complexe muziek die vaker beluisterd moet worden om goed tot de luisteraar door te dringen.

Het noodlot slaat toe

Na een internationale promotietour van anderhalf jaar begint Buckley in 1996 aan een opvolger van zijn debuut te schrijven. De cd moet de titel My Sweetheart the Drunk krijgen. De producer voor het album is Tom Verlaine, maar na drie sessies vervangt Buckley hem. Uit onvrede over het materiaal wordt Andy Wallace, dezelfde producer als voor Grace, wederom gevraagd. Nog voor de eerste sessies met Wallace kunnen aanvangen, slaat het noodlot toe. In Memphis aangekomen op 29 mei 1997 voor opnamesessies, gaat Buckley met kleding aan en al zingende zwemmen in de Mississippi rivier. Roadie Keith Foti blijft aan wal. Buckley - overigens niet onder invloed van alcohol of drugs - onderschat de sterke stroming en gaat kopje onder. Enkele dagen later wordt hij dood aangetroffen.

Na Buckleys dood wordt postuum nog zijn onaffe tweede album uitgebracht onder de naam Sketches (for My Sweetheart the Drunk). Op de plaat, die onder meer wordt samengesteld door moeder Guilbert en vriend Chris Cornell, staan de sessies met Verlaine en vier-sporen opnames van Buckley zelf. Het album is zeker niet slecht, maar het ontbreekt hoorbaar aan afwerking en de scherpte en souplesse die Grace wel heeft. Na verloop van tijd besluit de moeder van Buckley, die duidelijk een slaatje wil slaan uit de dood van haar zoon, ook nog stapels met live-cd's de wereld in te slingeren. Het is aardig materiaal, maar herinnert slechts aan wat Buckley bij leven allemaal nog had kunnen betekenen voor de muziekwereld. Zijn unieke geluid heeft veel bands beïnvloed, zoals Radiohead, Coldplay, Muse, Starsailor en Damien Rice. Naast zijn onbetwiste muzikale kwaliteiten heeft zijn tragische overlijden absoluut bijgedragen aan zijn cultstatus. Het is een gemis voor de muziekwereld dat de ongekend getalenteerde Buckley niet meer albums heeft kunnen uitbrengen.




vrijdag 1 maart 2013

cd: Damien Rice - O

Damien Rice - O

Bron: enola.be 29 September 2003

Vakantie of niet, altijd houden we onze oren gespitst op zoek naar interessante ontdekkingen. Op tocht in Ierland spotten we tussen alle wannabe U2’s en Sinéads een opmerkelijk plaatselijk talent: Damien Rice. Wat later duikt diezelfde naam op als één van de hoogtepunten op Pukkelpop. Reden genoeg dus om zijn debuutalbum O even aan u voor te stellen.

Na de vele lofbetuigingen van de strenge Britse pers en vergelijkingen met David Gray, Tom McRae, Jeff Buckley en andere respectabele singer-songwriters, waagde deze eigenwijze Dubliner met zijn melodieuze folkpop zijn kans op het vaste land. Of dat zal lukken? We twijfelen er geen moment aan.
Met zacht gitaargetokkel opent "Delicate" Rice’s debuutplaat O en als Rice even later, bijgestaan door een licht opzwellende cello, invalt met tedere stem, verscherpt onze aandacht terstond. Nog meer van die zalig zwiepende cello’s in het schitterende "Volcano". Voor het eerst krijgt Rice hier vocale assistentie van Lisa Hannigan. Haar fragiele stem vermengd met die van Rice zorgt voor een verbluffend resultaat. In "Cold Water" en "I Remember" komt Hannigan opnieuw wonderlijke klanken rondstrooien.
De Ierse roots van Rice steken voor het eerst de kop op in het gevoelige "The Blower’s Daughter" als Lisa Hannigan in Sinéad O’Connor-stijl op de achtergrond stilletjes begint te fluisteren. De traditionele Ierse folk is ook niet veraf in "Older Chests", één van de meest ontroerende nummers op O. We krijgen al heimwee naar die spontane zangstonden in die gezellige Ierse pubs in the middle of nowhere.


De bombastische ballad, "Amie", voorzien van een heel leger strijkers en de gratis bijgeleverde portie pathos, is misschien nét een beetje te veel van het goede. Ach wat, zo’n intense droefenis moet er gewoon eens uit en als Rice dat met zo’n bezielde song wil doen, dan hoort u ons niet klagen. Plots worden de strijkers het zwijgen opgelegd en neemt een zwoele klarinet ons mee naar één of andere cocktailparty. Half beschonken spuwt Rice zijn ontgoocheling uit in "Cheers Darlin’", een bittere song over een stukgelopen relatie. "Cheers darlin’, here’s to you and your lover boy."
Tegen de afsluiter "Eskimo" zijn we al helemaal gek van Damien Rice, maar toch overvalt hij ons nog een laatste keer, en hoe. Zonder enige waarschuwing krijgt Rice hier back-up van een heuse operadiva, Doreen Curran, die uit volle borst een aria inzet. We wisten eerst niet echt wat we ervan moesten denken, maar zoals alles went ook dit.
Damien Rice is allesbehalve een gewone gast, gelukkig maar. Hij slaagt erin om zich met dit avontuurlijk en gedurfd debuut onmiddellijk te onderscheiden van de doorsnee singer-songwriters. Geloof ons maar, Damien Rice ís the next big thing.









donderdag 21 februari 2013

cd Nick Cave & The Bad Seeds - Dig, Lazarus, Dig!!!

Nick Cave & The Bad Seeds - Dig, Lazarus, Dig!!!




Bron: enola.be 06 maart 2008

Weinig mensen komen weg met een tot op het kleinste haartje getrimde snor, gepruts met een ouija bord of een absolute wanprestatie in een de hemel ingeprezen western. Chuck Norris zou het misschien gekund hebben, maar Nick Cave heeft het gedaan, en nog wel met alledrie tegelijk. De hardest working man in showbusiness sinds James Browns heengaan - sinds Abattoir Blues/The Lyre Of Orpheus in 2004 bracht de man een liveplaat, twee soundtracks, drie cd's vol b-kantjes en rariteiten en uiteraard Grinderman uit - heeft met 'Dig!!! Lazarus Dig!!!' zijn veertiende studioalbum aan de zijde van de beste begeleidingsband this side of The E-Street Band uit, een album dat zich moeiteloos in 's mans top vijf aller tijden nestelt.

Single, titeltrack en opener 'Dig!!! Lazarus Dig!!!' is met zijn naar Grinderman of eerder nog The Birthday Party terugverwijzende blues genoegzaam bekend, en was een torenhoge verwachtingen scheppende voorbode. Niet alles wat volgt is even goed, sommige nummers zijn gewoon beter. Zo bijvoorbeeld 'Today's Lesson'. Voor een Nobelprijs zal Cave wel nooit genomineerd worden - daar is het bevoegde comité vast niet klaar voor - dat zijn teksten de toppen scheren die anderen (ook Dylan, ook Springsteen, ook Morrissey) onaangeroerd raken, is evenwel niet aan twijfel onderhevig. "Mr. Sandman has a certain appetite for Janie in response // He digs her pretty knees & that she is completely naked underneath all her clothes // He likes to congregate around the intersection of Janie's jeans // Mr. Sandman, the inseminator opens her up like a love letter", orakelt ie hier. 'Moonland' mag daarna dan wel een minder nummer zijn, de vervaarlijkheid die naast de titel ook de naar Queens Of The Stone Age neigende sfeer en uitingen als I'm not your favourite lover totaliseren, doen een mens denken dat het allemaal krèk zo bedoeld is. Zeker als daarna de oosterse dodendans 'Night Of The Lotus Eaters' volgt. Op het eerste gehoor een rustig voortkabbelend nummer, maar ach, zoveel meer dan dat.

Zelfs op momenten waarop Nick Cave niet bijster origineel is ('Albert goes West'), overstijgt hij de concurrentie moeiteloos. Na dit nummer hebben we - boer, let op uw ganzen - de zwakste helft van 'Lazarus' afgesloten. De helft waarop geen instant classic als 'We Call Upon The Author' staat. Het is een nummer dat zich meteen in de canon van Nick Cave & The Bad Seeds piloteert, muzikaal rustig maar ook weer niet is, en tekstueel de scherpste aanklacht tegen oneerlijkheid, ellende, miserie, rotzooi en Charles Bukowski sinds lang. Ook het daaropvolgende 'Hold On To Yourself' etaleert absolute schoonheid, ondersteund door de noisegitaar van Mick Harvey. Op 'Lie Down Here (& By My Girl)' klinkt Cave opvallend uptempo - dat we dát nog mogen meemaken - maar rammelen de gitaren toch aan alle kanten. De muzikanten hadden bij wijze van experiment namelijk beslist om eens elkaars materiaal te betokkelen, een gewaagde maar helaas niet geheel geslaagde bevlieging. Beter zijn de ijzersterke ballad 'Jesus Of The Moon', die los van het tekstuele zo op 'The Boatman's Call' kon, en de epische afsluiter 'More News From Nowhere', het soort nummer waar Cave na al die jaren een patent op mag claimen. Het zou niet verbazen mocht het live loeihard of gewoon niet gespeeld worden, hier klinkt het opvallend ingehouden. Daartussen zit 'Midnight Man' nog, een song die aanvankelijk (dan hebben we het over de eerste 2,7 seconden) dreigt te verzuipen tussen twee parels voor ons zwijnen, maar ook weer zijn momenten heeft en finaal, wanneer een ander zijn werk al lang to the boredom dying slowly is, zijn plaats op dit klein meesterwerkje niet gestolen heeft.

Kléin meesterwerkje lees je, en dat klopt, want er zijn redenen te bedenken waarom 'Dig!!! Lazarus Dig!!!' maar vier en geen zes sterren heeft gekregen. 't Ligt heus niet aan ons, Cave moet het zelf maar weten. Het is immers híj die 'The Boatman's Call', 'Murder Ballads' en 'No More Shall We Part' heeft gemaakt, albums die stuk voor stuk net iets beter zijn dan deze worp. Maar Nick Cave is vijftig, en dan trekken wij voor hem een fles grand cru open. Dat is wel het minste dat we terug kunnen doen.

cd Neil Young - Freedom

Neil Young - Freedom
(1989)
  

Bron : Allmusic.com

Neil Young is famous for scrapping completed albums and substituting hastily recorded ones in radically different styles. Freedom, which was a major critical and commercial comeback after a decade that had confused reviewers and fans, seemed to be a selection of the best tracks from several different unissued Young projects. First and foremost was a hard rock album like the material heard on Young's recent EP, Eldorado (released only in the Far East), several of whose tracks were repeated on Freedom. On these songs -- especially "Don't Cry," which sounded like a song about divorce, and a cover of the old Drifters hit "On Broadway" that he concluded by raving about crack -- Young played distorted electric guitar over a rhythm section in an even more raucous fashion than that heard on his Crazy Horse records. Second was a follow-up to Young's previous album, This Note's for You, which had featured a six-piece horn section. They were back on "Crime in the City" and "Someday," though these lengthy songs, each of which contained a series of seemingly unrelated, mood-setting verses, were more reminiscent of songs like Bob Dylan's "All Along the Watchtower" than of the soul standards that inspired the earlier album. Third, there were tracks that harked back to acoustic-based, country-tinged albums like Harvest and Comes a Time, including "Hangin' on a Limb" and "The Ways of Love," two songs on which Young dueted with Linda Ronstadt. There was even a trunk (or, more precisely, a drunk) song, "Too Far Gone," which dated from Young's inebriated Stars 'n Bars period in the '70s. While one might argue that this variety meant few Young fans would be completely pleased with the album, what made it all work was that Young had once again written a great bunch of songs. The romantic numbers were carefully and sincerely written. The long imagistic songs were evocative without being obvious. And bookending the album were acoustic and electric versions of one of Young's great anthems, "Rockin' in the Free World," a song that went a long way toward restoring his political reputation (which had been badly damaged when he praised President Reagan's foreign policy) by taking on hopelessness with a sense of moral outrage and explicitly condemning President Bush's domestic policy. Freedom was the album Neil Young fans knew he was capable of making, but feared he would never make again.



Tracks:
Producer
Trumpet
Sax (Baritone)
Drums
Trumpet
Sax (Alto)
Sax (Tenor)
Composer
Composer
Bass
Guest Artist, Vocals
Bass
Guitar
Composer
Guitar (Acoustic)
Composer
Composer, Guitar, Primary Artist, Producer, Vocals

woensdag 20 februari 2013

cd Bill Fay - Life Is People

Bill Fay - Life Is People

Bron: Krenten uit de Pop 25 Augustus 2012

Bill Fay is een Britse singer-songwriter die aan het eind van de jaren 60 werd getipt als het Britse antwoord op Bob Dylan en dit onderstreepte met de uitstekende single Some Good Advice. Om uiteenlopende redenen duurde het een aantal jaren voordat zijn officiële debuut verscheen, maar in 1970 lag het titelloze album van Bill Fay dan eindelijk in de winkel. De plaat wist ondanks zijn hoge niveau en de aan Bob Dylan en Nick Drake rakende muziek de obscuriteit niet te ontstijgen en hetzelfde gold eigenlijk voor het een jaar later verschenen Time Of The Last Persecution, waarop Bill Fay voorzichtig opschoof in de richting van een meer folkrock georiënteerd geluid. Laten we het achteraf bezien maar een kwestie van pieken op het verkeerde moment noemen, want met een beetje geluk en wat meer daadkracht van zijn platenmaatschappij had Bill Fay als je het mij vraagt een hele grote kunnen worden. Beide platen uit 1971 kregen onlangs gezelschap van een nieuwe plaat, Life Is People. Ik ging er tot voor kort van uit dat Life Is People afkomstig was van stoffige planken (waar een jaar of tien geleden ook Bill Fay’s nooit verschenen derde plaat Tomorrow Tomorrow and Tomorrow van af kwam), maar het blijkt een gloednieuwe plaat van een singer-songwriter die inmiddels de pensioengerechtigde leeftijd al lang bereikt moet hebben. Het tot stand komen van Life Is People is een mooi verhaal. Bill Fay mocht tot voor kort niet alleen de band Wilco en Nick Cave tot zijn fans rekenen, maar werd ook bewonderd door topproducer Joe Henry, die de platen van Bill Fay kende uit de collectie van zijn vader. Op een gegeven moment besloot Henry de stoute schoenen aan te trekken en ging hij op zoek naar de vergeten singer-songwriter uit de vroege jaren 70. Bill Fay bleek, mede door de steun van Wilco (dat een Bill Fay song heeft toegevoegd aan haar live repertoire), weer in bescheiden mate actief als muzikant en was daarom betrekkelijk eenvoudig te verleiden tot het maken van een nieuwe plaat. Henry riep hiervoor de hulp in van de Britse muzikant Matt Deighton (bekend van Oasis, Paul Weller en het helaas zwaar ondergewaardeerde Mother Earth), die uiteindelijk een prima band wist samen te stellen en bovendien Wilco’s Jeff Tweedy wist te verleiden tot een gastbijdrage. Het heeft uiteindelijk een onverwacht sterke plaat opgeleverd. Life Is People ademt weliswaar de sfeer van het verleden, maar kan ook concurreren met de vele jonge singer-songwriters die momenteel aan de oppervlakte komen. Bij beluistering van Life Is People moest ik in eerste instantie vooral denken aan Bob Dylan (die volgens mij zou tekenen voor een prachtplaat als Life Is People), maar uiteindelijk ook aan Randy Newman en zeker ook Pink Floyd (deels door de vocalen, maar vooral door het licht psychedelische en melancholische geluid op de plaat). Bill Fay heeft misschien een aantal decennia stil gezeten, maar is het schrijven van meeslepende popsongs zeker niet verleerd. Life Is People is een plaat die direct de aandacht weet te trekken, maar stijgt pas tot grote hoogten wanneer je hem meerdere malen hebt gehoord. Eenmaal ingepakt door de schoonheid van de plaat, neemt de impact van de geweldige songs van Bill Fay snel toe, al is het maar door de man’s prachtige stem en de even mooie instrumentatie. Life Is People schaart Bill Fay niet alleen onder de makers van de mooiste singer-songwriter platen van 2012, maar verschaft hem bovendien toegang tot de eregalerij van de grote singer-songwriters. Een onmisbare plaat als je het mij vraagt. Erwin Zijleman




 


donderdag 14 februari 2013

cd Paul Weller - 22 Dreams

Paul Weller - 22 Dreams


Bron: Humo 27 Juni 2008

Ambitieus, enigszins pretentieus maar niettemin uitstekend? Dat moet een nieuwe plaat van Paul Weller zijn!

'22 Dreams' - zijn negende soloplaat na zijn pioniersjaren met The Jam (punkrock) en The Style Council (Britsoul) - is eigenlijk niet geschikt voor deze druk-druk-druk-tijden. Daarvoor duurt-ie te lang - bijna zeventig minuten - en bovendien vindt Weller dat men de cd helemaal moet uitzitten. Probéér dus maar niet om '22 Dreams' in shuffle mode op de iPod te beluisteren, of een oordeel te vellen op basis van karpersprongen langs de 21 (eenentwintig!) songs over verloren liefde(s) en het voortschrijden van de tijd - yep, u mag er een concept in herkennen.
Weller werkte een vol jaar aan '22 Dreams'; het minste wat men dan als luisteraar kan terugdoen, is de plaat de tijd gunnen om te groeien. En de beloning is niet min: één van de betere cd's van het jaar tot nu toe. Zó verschillend van aard zijn de songs (zoals de wisseling van de seizoenen waarin ze opgenomen werden, daar in zijn studio in landelijk Woking in Surrey?) dat men na de eerste beluisteringen alleen maar beduusd kan achterblijven. Want wat passeert er niet allemaal: Wellers bekende, lichtjes gekartelde white man soul, latin funk, gloeiende rock, aanzetten tot freejazz, improvisaties, een torch song, electro, folk, instrumentaaltjes, een prangende pianoballade... En dan zijn we nog maar net voorbij halfweg.
Sommige nummers laten zich onmiddellijk als uitschieters aanvinken. 'Light Nights' bijvoorbeeld, het openingsnummer, dat herinneringen oproept aan de folkrock van Richard Thompson - de afsluiter heet trouwens 'Night Lights'. Of het venijnig rockende titelnummer, waarin gitaren, percussie en blazers als de eerste de beste regenboogcoalitie geen vergelijk zoeken maar de confrontatie aangaan. Of, in schril contrast, het verstilde 'Invisible': een man alleen achter zijn piano.
Andere songs hebben méér tijd nodig om te beklijven. Zoals het atmosferische, instrumentale, lichtelijk avant-gardistische 'Song for Alice' (voor Alice Coltrane, vandaar de aanwezigheid van een harp), met Robert Wyatt op trompet (hij doet dat goed). Of 'Cold Moments': afgewezen man drentelt met de handen diep in de zakken door de kille regen, maar de muziek die u hoort is zwoele latin funk. Het contrast verscherpt de troosteloosheid. Nog zo'n trage groeier is 'Echoes round the Sun' (met Noel Gallagher op piano en bas): ontregelende psychedelica, zeg maar een brok lawijt, een hete pook in uw gat. En wat gedacht van de korte, schimmige instrumental '111': Moog meets mellotron.
Mmm. Eigenlijk valt van de 21 nummers (plus het essay 'The Missing Dream') alleen het gesproken, gelukkig nauwelijks twee minuten durende 'God' danig tegen. En de overdreven kitscherige hoes.
Weller, vorige week 50 geworden, klinkt op '22 Dreams' vitaler en avontuurlijker dan ooit. Jammer dat Zijne Kregeligheid dat niet als headliner komt bewijzen op het Cactus Festival: ondanks sluitende afspraken heeft hij afgezegd, de klootzak. Hij zou niet bijtijds van een optreden in Servië (!) in Brugge raken... U zult het dus met zijn passage op 3 oktober in de AB moeten doen. En met '22 Dreams'. Neem er uw tijd voor: mooie dromen zijn er om te koesteren, in deze druk-druk-druk-tijden.

cd Duffy - Rockferry

Duffy - Rockferry


Bron: Kindamuzik 23 Maart 2008

Arme Duffy. Gelijk na het uitkomen van haar eerste cd Rockferry wordt ze al als de nieuwe Amy Winehouse betiteld. Het hoort er blijkbaar bij om in dit muziekklimaat alle Engelse zangeressen met elkaar te vergelijken. Lily Allen met Kate Nash, Duffy met Amy Winehouse en Adele met, nou ja, eigenlijk wel met allemaal. Feit is dat het lekker gaat met het vrouwelijke zangtalent uit Engeland en dat de media dan al gauw naar overeenkomsten gaat zoeken. De drieëntwintigjarige Duffy zal er dus ook aan moeten geloven.
Op haar albumhoes ziet Aimee Anne Duffy eruit als een lief meisje dat een opvallende gelijkenis met actrice Sienna Miller vertoont. Na het beluisteren van Rockferry is de eerste gedachte 'Wauw'. De tweede gedachte: 'Is die schuurpapieren, warme, oude stem van ditzelfde meisje?' Een strot die klinkt alsof de eigenaar ervan een lang leven vol sigaretten, liefdesverdriet en levenslessen gevolgd heeft. Dusty Springfield, Petula Clark, Dionne Warwick en ja, daar is ze weer, Amy Winehouse die in één stem samenkomen; wat wil een mens nog meer.
Naast de heerlijke single 'Mercy', die al een bescheiden hit in Nederland is, valt er genoeg te genieten op Rockferry. Stuk voor stuk blijven de nummers na één draaibeurt in je hoofd hangen, of het nu een rustig nummer als 'Hanging On Too Long' is, waarin een voortkabbelend couplet afgewisseld wordt met Duffy's prachtige rauwe uithalen in het refrein, of de instant klassieker 'Warwick Avenue', die niet anders dan een grote hit kan worden met het aanstekelijke refrein. Naarmate het album vordert, wordt duidelijk opgebouwd naar een climax, in de vorm van het meeslepende nummer 'Distant Dreamer'.
Duffy is een jong meisje met een oude stem die ze schijnbaar moeiteloos tot grote hoogten weet te stuwen. Ex-Suedegitarist Bernard Butler die enkele tracks meeschreef en de productie voor zijn rekening nam, heeft ervoor gezorgd dat deze plaat een vol en warm geluid uitademt.
Rockferry doet nostalgisch aan door invloeden van eerder genoemde zangeressen en is tegelijkertijd swingend door een orgel of een blazerssectie op de juiste plek, maar is vooral ontroerend en genietbaar door Duffy's mooie en krachtige stem.


cd Fleet Foxes - Fleet Foxes

 Fleet Foxes - Fleet Foxes



Bron: Humo 05 July 2008

Je hebt zo van die liedjes die je op een gezegende dag uit een open venster tegemoetwaaien en je meteen de adem afsnijden, je de pas doen inhouden of naar de remmen van je fiets doen grijpen. 'God Only Knows' is er zo eentje, 'Hope There's Someone' en 'Do I Love You' van de Ronettes ook. Arriba!-nummer-één 'White Winter Hymnal' is precies zo'n liedje.

Vijf jongens hebben zich rond een kampvuur geschaard, iemand zet een sinister kinderwijsje in, de rest valt perfect in, drums komen aangerold en we zijn vertrokken voor tweeënhalve minuut onversneden gelukzalige pop.
Fleet Foxes zijn twintigers uit Seattle met baarden en flanellen ruitjeshemden, die graag en goed - zeg maar gerust: fan-tas-tisch - zingen. Op hun debuut is geen plaats voor trieste indieballads of ironisch-ondermaatse zangpartijen, nee, veertig minuten lang tuimelen onwerkelijk mooie drie- en vierstemmige harmonieën uit de pophemel, alsof Crosby, Stills, Nash & Young en de Beach Boys besloten hebben om zich samen aan gospelpop te wagen.
Frontman Robin Pecknold steekt erboven uit: wanneer hij in het grotendeels a capella gezongen 'Oliver James' plots uithaalt, hoor - nee, voel je zijn stem trillen van emotie. Op zulke momenten doen de rillingen koerske langs onze ruggengraat.
De Foxes selecteren het fraaiste uit Britse sixtiespop, Californische folkrock en beachpop uit de vroege seventies, Byrdsiaanse country, bergfolk uit de Appalachen en zelfs middeleeuwse koorzangen, en stikken alles naadloos aaneen tot een Eigen Geluid. Hun enthousiasme voor al die geweldige muziek van vijftig, honderd, vijfhonderd jaar geleden spat werkelijk uit de speakers.
'Sun It Rises' opent met een wazige flard close harmony, maar ontpopt zich al snel als een psychedelische popsuite met een oud-Keltische (!) toets en een Fairport Convention-gitaarlijn. Overal horen we de barokke krulletjes van The Zombies en The Millenium.
In het wonderlijke 'Blue Ridge Mountains' plukt Skye Skjellset een heerlijke melodie uit zijn mandoline, fluiten dreigen in 'Your Protector', en het hypnotiserende 'Tiger Mountain Peasant Song' bárst bijkans van intensiteit, voor het bepaald hemels verdampt.
De songs zelf zijn hier en daar nog wat ongelijk van kwaliteit, maar het valt nauwelijks te geloven dat de Fleet Foxes nog zo jong zijn, dat de band nog maar twee jaar bestaat, en dat ze deze plaat hebben gefinancierd met behulp van maxed-out kredietkaarten, uitzendbaantjes en suikerooms. Wat ons betreft spelen ze nog een klasse hoger dan ander goed (en verwant) muzikantenvolk als My Morning Jacket, Band Of Horses en Grizzly Bear.
Ons advies: koop 'Fleet Foxes' op vinyl, schaf u een draagbare pick-up aan en ga in het hoge gras liggen luisteren, keer op keer op keer, tot er genoeg geruis en gekraak op de plaat staat om de songs helemaal áf te doen klinken. Daar kan geen dure vakantie op de Malediven aan tippen.






cd Wilco - The Whole Love

Wilco - The Whole Love


Bron: Krenten uit de Pop 29 September 2011

De Amerikaanse band Wilco werd 17 jaar geleden, na het jammerlijk uiteen vallen van alt-country pioniers Uncle Tupelo, opgericht door Jeff Tweedy. Sinds het in 1995 verschenen debuut van de band, A.M., heeft Wilco ons verrast met steeds weer anders klinkende platen. Op A.M. opereerde Wilco nog duidelijk in de voetsporen van Uncle Tupelo, maar die voetsporen werden verlaten op Being There (1996), Summerteeth (1999), Yankee Hotel Foxtrot (2002), A Ghost Is Born (2004), Sky Blue Sky (2007) en Wilco (The Album) uit 2009. Op deze platen werden de oorspronkelijke alt-country invloeden verruild voor respectievelijk psychedelische rockmuziek, powerpop, bijzonder experimentele muziek, net wat minder experimentele muziek, gelikte countryrock en softrock en verrassend toegankelijke pop en rock. De achtste studioplaat van Wilco, The Whole Love, slaat wederom nieuwe wegen in en klinkt weer een stuk experimenteler dan zijn twee zo toegankelijke voorgangers. Dat hoor je het duidelijkst in opener Art Of Almost; een track waarin de meest uiteenlopende invloeden zijn verwerkt, die je constant op het verkeerde been zet, met name in het begin behoorlijk op de zenuwen werkt en uiteindelijk heerlijk ontspoort. Op basis van de 7 minuten van Art Of Almost verwacht je Yankee Hotel Foxtrot deel 2, maar die hoop of vrees wordt onmiddellijk de grond in geboord door de tracks die volgen. De ene keer krijgen we een psychedelisch hoogstandje voorgeschoteld dat ook van The Doors had kunnen zijn, de volgende keer een fris Beatlesque popliedje of een lekker gruizige glamrocksong die niet zou hebben misstaan in het oeuvre van T. Rex. Wilco is gelukkig ook de rootsinvloeden die zo prominent aanwezig waren op het debuut van de band niet vergeten en durft uit te pakken met een akoestische folksong van ruim 12 minuten, die ondanks het buitengewoon sobere instrumentarium en de lange speelduur geen seconde verveelt. The Whole Love is een plaat waarop Wilco het experiment zeker niet schuwt, maar het is dit keer gelukkig een middel en geen doel (ik maak er geen geheim van dat Yankee Hotel Foxtrot zeker niet mijn favoriete Wilco plaat is). The Whole Love laat zich beluisteren als een fraaie dwarsdoorsnede uit het werk van Wilco, al is geen van de tracks een herhalingsoefening, maar zet Wilco nadrukkelijk nieuwe stappen. Het zal nog wel even duren voordat alles op zijn plek valt, maar op basis van mijn luisterervaringen gedurende de afgelopen twee weken, durf ik The Whole Love al wel een van de hoogtepunten uit het oeuvre van Wilco te noemen, hetgeen gezien de hoge kwaliteit van de meeste platen van de band een niet misselijke prestatie is. Erwin Zijleman





cd Portishead - Third

Portishead - Third


Bron: De Morgen 23 April 2008

En plots was Portishead weg. De groep die met stadsgenoten Massive Attack als grondlegger van de triphop werd beschouwd, bracht na twee buitengewone cd's nog een overbodige liveplaat uit en verdween dan weer in de anonimiteit. Zangeres Beth Gibbons nam met Rusty Man nog een soloplaat op, maar de rest van de groep deed er - een gastoptreden met Tom Jones en een blitzbezoek aan een Gainsbourgtribute niet te na gesproken - het zwijgen toe.

Nu, elf jaar later, is er eindelijk de derde plaat die na veel wikken en wegen Third werd genoemd. Elf nieuwe nummers in elf jaar tijd. Je kunt niet zeggen dat Portishead zich uit de naad heeft gewerkt, maar het zijn wel stuk voor stuk briljante nummers. Nog beter: op het hartverscheurende 'Hunter' na (if i would fall would you hold me/or would you pass me by) rekent Third ondubbelzinnig af met het verleden. Wég zijn de referenties aan film noir. Weg zijn de krakende samples en kabbelende soundscapes.

De nieuwe Portishead klinkt robuuster, agressiever. Het verpletterende 'Machine Gun' (de titel dekt de lading volledig) klinkt als een mokerslag pal op je neus en geeft een idee van hoe een bastaardkind tussen Kraftwerk en Nine Inch Nails zou klinken. Gek hoe de frêle stem van Gibbons in deze stormachtige omgeving overeind blijft. 'We Carry on' beweegt op het ritme van een stoomtrein, speelt blieps tegen electronica uit en doet - ondanks dat surfgitaartje - zowaar aan het meest intense van dEUS denken. Elders, in 'Deep Water' en in afsluiter 'Threads' kantelt de plaat dan weer richting folk, flitsen Woody Guthrie en Patsy Cline je even voor de geest. Er tokkelt zowaar een ukelele langs.

Elf jaar heeft het geduurd, een eeuwigheid in de popmuziek. Maar hoe onwaarschijnlijk dat ook klinkt: het was het wachten waard. (Universal) (Bart Steenhaut) (****)






cd Michael Kiwanuka – Home Again

Michael Kiwanuka – Home Again

Bron: Writteninmusic.com 13 Maart 2012

Na het uitbrengen van enkele fraaie EP’s en de verkiezing tot winnaar van de BBC Sound of 2012 waren de verwachtingen voor het debuutalbum van Michael Kiwanuka terecht hoog gespannen. Gelukkig worden die ook volledig ingelost op Home Again, een puur en tijdloos klinkend soul-folkalbum dat zelfs na vele draaibeurten blijft boeien en steeds dieper onder de huid kruipt.
Natuurlijk had de in Londen woonachtige singer-songwriter zijn perfecte visitekaartje afgeleverd met de vorig jaar uitgebrachte EP Tell Me A Tale, waarop naast de imponerende titelsong ook de op het album aanwezige prachtsong Worry Walks Beside Me stond.
Met zijn warme, emotievolle stemgeluid grijpt Michael Kiwanuka regelmatig terug op het rijke soulgeluid uit de jaren zestig en zeventig. Zijn grootste muzikale referentie is Otis Redding, wiens outtake-versie van Sitting On The Dock Of The Bay hij hoorde toen hij een gratis cd, bijgevoegd bij het Engelse muziekmagazine Q luisterde. Ook de soulinvloeden van zijn andere helden Bill Withers, Curtis Mayfield en Terry Callier klinken duidelijk door in zijn songs. Toch staat niet alleen de soul aan de basis van dit prachtige debuutalbum. Een goede vriend van Michael gaf hem een boxset van Bob Dylan waar hij zo van onder de indruk was dat het hem inspireerde om ook zelf krachtige, urgent klinkende folksongs te schrijven, zichzelf begeleidend op de akoestische gitaar.
Puur voor de lol en de eigen muzikale ontwikkeling begon de jonge Kiwanu, na het vele spelen in jazz-funk jamsessies met collega-muzikanten, zelf songs te schrijven. Nadat hij een aantal demo’s had opgenomen en had verspreid, werd hij door een aantal enthousiaste mensen aangemoedigd om maar vooral veel op te treden om een nog groter publiek te bereiken. Paul Butler van de band The Bees was één van deze enthousiastelingen en hij stelde voor zijn debuut EP te produceren. Na Tell Me A Tale volgden in 2011 nog de EP I’m Getting Ready en begin dit jaar de EP Home Again. Daarmee werd meteen het solide fundament gelegd voor het debuutalbum Home Again.
Het album begint meteen overtuigend met Tell Me A Tale, dat nu al kan worden aangemerkt als nieuwe soulklassieker. Met een geweldige melodielijn, een op Afrobeat gebaseerd blazersarrangement en zijn overtuigend klinkende, warme stemgeluid, weet Michael al vanaf de eerste tonen te imponeren. Meteen gevolgd door de eveneens sterke tweede single I’m Getting Ready, één van de vele hoogtepunten van het album. Want Home Again luistert  namelijk als een zeer constante conceptplaat die zowel vanwege het ontspannen karakter als de emotionele diepgang indruk blijft maken.  Of het nu het vrolijk klinkende I’ll Get Along is, het jazzy, met subtiele koortjes ondersteunde Bones, de meeslepende titeltrack of het emotionele Always Waiting, bijna alles wat Michael Kiwanuka ‘aanraakt’ veranderd in goud, of in ieder geval in zilver. I Won’t Lie luidt de laatste trits in van dit geweldig mooie album en is ook al weer zo’n intense song. Any Day Will Do Fine en Rest zijn voorbeelden van het bedoelde zilverwerk maar slotstuk Worry Walks Beside Me is weer het toonbeeld van een 24 karaat gouden soulfolk-song, waar hij patent op schijnt te hebben.
Net als de vorige winnaar van de BBC Sound-verkiezing 2011, Adele, denk ik dat ook Michael Kiwanuka een oude ziel in een jong lichaam vertegenwoordigd en net als haar een grote muzikale toekomst tegemoet gaat. Home Again is in ieder geval een prachtige aanzet tot een glansrijke carrière.

cd Elbow - The Seldom Seen Kid

Elbow - The Seldom Seen Kid



Bron: De Morgen 23 April 2008

Het Britse gezelschap Elbow belichaamt de creativiteit en de inventiviteit van hun thuishaven Manchester. Het vijftal rond zanger Guy Garvey maakt geen hapklare muziek, maar de heren zijn meesters van het tweede gezicht. Ook hun vierde cd is bestand tegen ontelbaar veel draaibeurten.

Elbow wordt steevast in één adem met Radiohead en Coldplay genoemd. De groep heeft de maturiteit van de ene band en is even melodieus als de andere. Het gezelschap kwam zeven jaar terug voor het eerst in de kijker, maar bestond toen al tien jaar.

Sinds 2001 brachten ze drie full-cd's uit en het leverde hen heel wat fans in onze contreien op. Garvey valt zelfs te horen op de nieuwste cd van dEUS. Na een stilte van ruim twee jaar is de groep er terug. De hoofdrol is duidelijk weggelegd voor de prachtige stem van Guy Garvey, een vriendelijke teddybeer met een groot talent voor taal.

Hij dropt in het veelmazige muzikale net van zijn bandmaats vooral verhalen over liefde, leven en verlies. Een van de gedaantes van de dood is The Seldom Seen Kid, de bijnaam van een overleden vriend. Die speelt onder meer de hoofdrol in 'Grounds for Divorce', zowat de enige song die naar uptempo neigt. In het nummer zingt Garvey over "a hole in my neighbourhood", een café waar het titelpersonage vaak kwam. Qua ritmesectie refereert het liedje aan Led Zeppelin en komt de bekende samenzang van de groep mooi aan bod. Het is echter op de gedroomde single 'One Day like This' dat ze die troef (denk maar aan 'Forget Myself') volledig uitspelen, in combinatie met een stel machtige strijkers.

Violen komen trouwens wel meer voor op deze plaat, die verder elementen bevat uit het Franse chanson (in het hilarische 'An Audience with the Pope'), flamenco ('The Bones of You') en zelfs avant-garde zoals in de gewaagde opener 'Starlings'. Wie op zoek is naar een bloedmooie ballad zoals 'Switching Off' (een van de tien nummers die John Cale naar een onbewoond eiland wil meenemen) wordt ook niet teleurgesteld.

'Weather to Fly' is namelijk het soort song dat ogen wazig en kelen kurkdroog maakt. Een absoluut hoogtepunt. De plaat bevat slechts één tegenvaller en dat is het Cole Porterachtige duet 'The Fix' met Richard Hawley. Het is wel knap in elkaar gezet, maar te veel vaudeville. De rest raakt des te meer. Muzikale meerwaardezoekers weten dat ze bij deze band voor vele maanden onder dak zitten. (Fiction)(Koen De Meester) (****)



cd Vampire Weekend - Vampire Weekend

Vampire Weekend - Vampire Weekend

Bron: alternative.blog.nl/album-van-de-week

Daar is 'ie dan: het eerste essentiele debuutplaatje van het jaar. Afkomstig van een band die ons de komende jaren nog heel vaak heel gelukkig zal maken, zonder meteen optredens te moeten geven in grote, kille bierhallen. Een verzameling van elf op het eerste gehoor bedrieglijk eenvoudige doch pakkende popliedjes in een dik half uur, gemaakt door vier intelligente New Yorkse studenten die zich naar de Z-film Vampire Weekend hebben genoemd. Ook al is 2008 nog maar een maand oud, Vampire Weekend komt nu al met de tegelijkertijd slimste, leukste en meest spontane indiepopplaat in tijden aan zetten.
Na meerdere keren draaien is de volgende vergelijking bijna onontkoombaar: Paul Simon's Graceland uit 1986 meets The Strokes' Is This It? van vijftien jaar daarna. Ofwel:  popmuziek met Afrikaanse en Caribische gitaarlijnen en riffs op opzwepende ritmes (een beetje à la het Senegalese Orchestra Baobab), in liefdevolle omhelzing met blanke, indierockliedjes en de opwinding die dat Strokes-debuut je deed voelen. Minus de vuigere klank van The Strokes dan. want zanger/gitarist Ezra Koenig heeft geen distortionpedaal. Zijn kristalheldere gitaarspel lijkt regelrecht uit Senegal te komen.
Een extraatje zijn dan de klassieke arrangementen met violen en en klavecimbel die volkomen spontaan doch ingenieus opduiken in liedjes als M79 of Walcott. Deze en andere liedjes lijken zo simpel in elkaar te steken, maar na een paar keer draaien hoor je pas echt hoe verrekte knap alles in elkaar steekt. Dat is ook de rol van de keyboards, die net zo goed een belangrijke inbreng hebben.
Laat je door deze Graceland vs. Is This It?-referentie om je een beeld te geven van het geluid ook weer niet foppen of van de wijs brengen. Want Vampire Weekend klinkt door dat mengsel wel heel eigenzinnig, fris, fruitig, springerig en vrolijk. Wat dat betreft zijn de singles Mansard Roof en A-Punk al perfecte voorproefjes geweest.
En dat zijn dan niet eens echte meezingers zoals One (Blake's Got A New Face) en de ingetogen afsluiter The Kids Don't Stand A Chance dat wel zijn. Dat de stem van zanger Ezra Koenig op sommige momenten intussen griezelig veel weg heeft van die Paul Simon (hij weer!), doet gek genoeg niets af aan de eigenheid van dit bandje.
Want wat uiteindelijk nog het allerknapste is: deze verfrissende exotische indiepopcocktail klinkt ondanks alle invloeden en ideetjes van begin tot eind zo spontaan en volslagen vanzelfsprekend, dat honderden en honderden andere bandjes er stikjaloers van mogen worden. De zeer ontspannen achteloosheid waarmee Vampire Weekend dit debuut lijkt te hebben gemaakt, is misschien nog wel de grootste kracht van dit immens verslavende debuut. Hier kun je makkelijk mee vooruit tot en met het jaargetijde waar deze plaat eigenlijk bij past: de zomer. En nog vele zomers daarna. Klassieker in spé?